Ontstaan van het Valkhof

De Romeinen lieten op de plaats van het huidige Valkhof na hun vertrek uit deze streken een laat-Romeins castellum achter. De daarop volgende eeuwen verviel dit bouwwerk tot een ruïne. De Merovingische machthebbers, die in de 6e en 7e eeuw vanuit Noord-Frankrijk deze streken onder hun gezag brachten, kregen dit castellum in handen en herbouwden het met het overvloedig aanwezige Romeins materiaal. Zij vestigden hier hun bestuurscentrum en residentie voor de noordelijke streken van hun gebied.

 

Karel Martel (714-741) en Pepijn de Korte ( 741-768) maakten een einde aan het Merovingisch koningschap, wisten de Friezen uit deze streken te verdrijven en vestigden de dynastie van de Karolingers. Karel de Grote ( 768-814) onderwierp de Saksen en kreeg een rijk te besturen van de Deense grens tot midden Italië. Daartoe moesten Karel en zijn opvolgers veel rondreizen om het bestuur te regelen middels vazallen (hertogen, graven en bisschoppen). Karel de Grote stichtte daartoe paltsen, die tijdens het verblijf van de vorst de tijdelijke hoofdstad en het bestuurscentrum van het rijk waren.

 

De paltsen, waarvan het Valkhof er één was, hadden een meervoudige functie: De paltsen waren koninklijk paleis; Zij waren grote Koninklijke landbouwbedrijven, bestemd voor het onderhoud van de vorst en zijn hofhouding; Er woonde een permanente staf van huishoudelijk en administratief personeel; Het grondgebied rondom de paltsen vormde de economische macht van de vorst; De burcht bezat vaak verdedigingswerken; Er was meestal een kerk of hofkapel verbonden aan een palts, waar de plaatselijke bevolking ter kerke ging.

 

Karel bouwde zijn palts in Nijmegen rond 770 en verbleef daar voor het eerst met Pasen in 777. Naar hoe deze palts er uit heeft gezien kunnen we slechts gissen n.a.v. de palts in Ingelheim, die tegelijkertijd met de Nijmeegse palts gebouwd werd. Bewijzen zijn echter niet voorhanden, behalve dan de beschrijvingen van geschiedschrijvers uit die tijd, enkele teruggevonden zuilkapitelen en de Nicolaaskapel, die weliswaar van later datum stamt, doch vóór de bouw van de burcht door Frederik Barbarossa in 1155 reeds deel uitmaakte van de oude burcht.

 

De Sint Nicolaaskapel


J.F.Christ_Nicolaaskapel_web.jpg

 

Het gebeurde regelmatig, dat opstandige edelen na het vertrek van de vorst de symbolen van diens macht verwoestten of in brand staken. Zo werd de Valkhofburcht in 1047 door de opstandige Godfried van Lotharingen deels verwoest. Het is rond die tijd, dat de Nicolaaskapel op het Valkhof verrees.

 

Volgens de overlevering werd de opdracht voor de bouw verstrekt door Theophanou, een Byzantijnse prinses, nicht van de Byzantijnse keizer Tzimiskes en gehuwd met Otto II, keizer van het Heilige Roomse Rijk Theophanou, zo wil het verhaal, wenste de geboorte van haar 4e kind (zij had reeds 3 dochtertjes en hoopte op de geboorte van een erfopvolger) op het Valkhof te laten plaatsvinden. Tijdens haar reis naar het Valkhof beviel zij onderweg in het Ketelwoud achter Groesbeek van een tweeling, een jongetje en een meisje. Van het meisje werd nooit meer iets vernomen (men neemt aan dat dit kind niet levensvatbaar geweest zou zijn) en het jongetje, de latere keizer Otto III, werd in triomf naar de Nijmeegse burcht gebracht. Als dank zou Theophanou opdracht tot de bouw van de nieuwe hofkapel hebben gegeven.

 

Dat de bouw pas 40 jaar na haar dood (991) plaatsvond is geen bijzondere omstandigheid. Men kon niet snel even een aannemer charteren, doch wachtte veelal op de min of meer toevallige verschijning van een rondtrekkende ploeg bouwlieden en metselaars, die de klus gegund werd. De invloed van de Byzantijnse Theophanou zou ook blijken uit de Romaans-Byzantijnse bouwstijl met een 8-hoekige centraalbouw (8 is een heilig getal in de Orthodoxe ritus), terwijl de patroonheilige van de kapel, Sint Nicolaas, een Byzantijnse heilige was. Een andere lezing van de ontstaansgeschiedenis van de St. Nicolaaskapel is, dat de bouw op last van de Utrechtse bisschop Bernold plaatsvond, in de tijd van Keizer Koenraad II en keizer Hendrik III.

Kenmerkend voor dergelijke hofkapellen waren de 2 niveaus in de kapel van waaruit men de diensten kon bijwonen en het feit dat er geen trap in het gebouw aanwezig was. Na 1375 werd de kapel verhoogd, waardoor de Romaanse ramen deels door het dak bedekt werden en dus gedeeltelijk werden dichtgemetseld en van gotische spitsbogen voorzien.

 

De kapel kende door de eeuwen heen verschillende benamingen: 

  1. Heidense kapel, dit in verband met een Romeinse inscriptie op een in de kapel ingemetselde steen en de op verschillende plaatsen in de kapel aangebrachte Romeinse stenen en dakpannen.
  2. Karolingische kapel, omdat men onmiskenbare Karolingische bouwkenmerken aantrof en er dus vanuit ging, dat de kapel door Karel de Grote gebouwd zou zijn.
  3. Sint Nicolaaskapel, naar de patroonheilige van de kapel en dus de enig juiste benaming.

 

Barbarossaruïne


barbarossaruine.jpg


Frederik I Barbarossa ( 1152-1190), was een bewonderaar van Karel de Grote en een bouwlustig heerser, die vanaf Passau tot aan Nijmegen sporen van vestingbouw en burchten heeft nagelaten. In 1155 gaf hij de aanzet tot een herbouw, uitbouw en verbouw van het Valkhof. Zo verrees hier de burcht, die wij zo goed kennen van de vele schilderijen, tekeningen en etsen die van het Valkhof van Frederik I Barbarossa gemaakt zijn en wiens contouren de skyline van Nijmegen zoveel eeuwen bepaald hebben.

 

De burcht kreeg een bijzonder grote centrale toren (Donjon of reuzentoren) die als laatste toevluchtsplek diende in tijden van beleg. De toren had een grondvlak van 9 bij 18 meter, was 48 meter hoog en had muren van ruim 1,6 meter dik. De vleugels bevatten de woonvertrekken en de koningszaal. Tevens was er een verdedigingsmuur om de burcht gebouwd.

 

Diverse vorsten hebben het Valkhof met een bezoek vereerd. Later werd de burcht beheerd door een burggraaf, die ook magistraat in de stad Nijmegen was. De Prinsen van Oranje hebben eveneens gebruik van gemaakt van hun recht om op de burcht te verblijven. Door de onregelmatige bewoning van het complex, het feit dat de bewoners van de benedenstad de burcht als steengroeve gebruikten voor de verbetering van hun eigen woningen én door het matige onderhoud dat de burggraaf en later de provincie lieten uitvoeren, verviel de burcht steeds meer en kostte het een vermogen om hem telkens weer in bewoonbare staat terug te brengen, dan wel te houden.

 

Toen Nijmegen aan de Franse bezetter (1795) een som geld moest betalen en dat niet kon, besloten de bevoegde colleges, zeer tegen de zin van Nijmegen in, tot afbraak van de burcht. Het tufsteen zou vermalen worden tot tras (een watervast soort cement) om zo de dwangsom aan de Fransen in te lossen. Slechts de Sint Nicolaaskapel werd ontzien en door Nijmegen teruggekocht om cultuurhistorische redenen.

 

De Maartenskapel diende, vanwege de Romeinse pilaren die daarin werden aangetroffen, in deze periode van het classicisme niet afgebroken te worden. Deze zogeheten Barbarossaruïne is door onoordeelkundig sloopwerk echter nogal gehavend achtergebleven. Evenals andere burchtkapellen bestaat ook deze kapel uit 2 niveaus en heeft in later tijd waarschijnlijk deel uit gemaakt van de koningszaal. Er waren geen bouwtekeningen van het complex. Slechts een dakenplan heeft, samen met de schilderijen en etsen, tot de reconstructie van de burcht geleid.

 

hoogers1.jpg

Prent van Hendrik Hoogers, 1794. Kopergravure. Collectie Museum Het Valkhof Nijmegen